Verwijswoorden zoals dit, dat, deze en die wijzen terug naar woorden die al eerder in de tekst staan. Je gebruikt deze en die voor de-woorden en meervoud, terwijl dit en dat bij het-woorden horen.
Bij leernederlands.online adviseren we om altijd één zin terug te lezen als je een verwijswoord in een tekst ziet staan.
Wat zijn verwijswoorden en hun belang?
Verwijswoorden zijn woorden die in de plaats komen van een ander woord, zodat de schrijver niet steeds hetzelfde woord hoeft te herhalen.
In Nederlandse teksten maken deze woorden de zinnen korter en vlotter om te lezen. Als je niet weet naar welk origineel woord een verwijswoord wijst, verlies je de betekenis van de hele zin. Dit is een heel belangrijk onderdeel van de leesvaardigheid, omdat het inburgeringsexamen hier vaak direct naar vraagt.
Tip: Print de tekst uit en gebruik een pen om een pijl te tekenen van het verwijswoord naar het originele woord. Zo maak je het verband visueel en begrijpelijk.
Hoe kies je tussen verschillende verwijswoorden?
De keuze voor het juiste verwijswoord hangt altijd af van het lidwoord (de of het) en de afstand tot het woord (dichtbij of ver weg).
Voor een de-woord (zoals de tafel, de man) of een meervoudsvorm gebruik je deze (dichtbij) of die (ver weg). Voor een het-woord (zoals het boek, het meisje) gebruik je dit (dichtbij) of dat (ver weg). Als je het lidwoord van een zelfstandig naamwoord kent, begrijp je het verwijswoord in de tekst veel sneller.
Bij leernderlands.online adviseren we om nieuwe woorden altijd direct samen met het juiste lidwoord (de of het) in je schrift te schrijven. Zonder deze basiskennis is het begrijpen van verwijswoorden erg moeilijk.
Vier handige trucjes om verwijswoorden te begrijpen
Je vindt de betekenis van een verwijswoord snel door één zin terug te lezen, op het lidwoord te letten, het woord te vervangen en op meervoud te letten.
Tijdens het examen krijg je vaak de vraag: ‘Naar wie of wat verwijst deze in regel 5?’. Gebruik deze vier vaste stappen om het antwoord zonder twijfel te vinden:
- 1. Lees één zin terug: Het originele woord staat bijna altijd in de zin direct vóór het verwijswoord.
- 2. Kijk naar de-woorden en het-woorden: Zie je het woord ‘dat’ of ‘dit’? Zoek dan in de vorige zin specifiek naar een het-woord.
- 3. Vervang het woord: Lees de zin hardop in je hoofd en vervang het verwijswoord door het woord dat je hebt gevonden. Klopt de zin nog steeds? Dan heb je het juiste antwoord.
- 4. Let op meervoud: De woorden deze en die verwijzen ook naar alle meervoudsvormen, zelfs als het enkelvoud een het-woord is (bijvoorbeeld: het huis -> de huizen -> deze huizen).
Bij leernderlands.online adviseren we om deze vier stappen als een vaste checklist te gebruiken bij elke leestekst die je thuis oefent.
Waarom maken studenten fouten met ‘er’?
Studenten maken vaak fouten met ‘er’ omdat dit een speciaal verwijswoord is dat vaak naar een plaats of situatie verwijst, en niet naar een persoon.
Het woordje er is heel klein, maar komt extreem vaak voor in de Nederlandse taal. Soms betekent het ‘daar’ (een locatie), en soms is het een vast onderdeel van een werkwoord. Omdat dit woord in veel andere talen niet bestaat, is het voor mensen die Nederlands leren vaak lastig te vertalen of te begrijpen.
Tip: Vervang het woordje ‘er’ tijdens het lezen door ‘daar’ of ‘op die plaats’. Als de zin dan logisch klinkt, weet je zeker dat het verwijswoord om een locatie gaat.
Het goed begrijpen van verwijswoorden maakt het lezen van Nederlandse teksten veel makkelijker en sneller. Door de regels voor de en het te leren, en altijd even terug te lezen in de tekst, voorkom je onnodige fouten. Bij leernderlands.online helpen we je graag verder met gerichte leesoefeningen en handige grammaticatips, zodat jij jouw leesvaardigheid snel en effectief verbetert.
Veelgestelde vragen over verwijswoorden en leesvaardigheid
Wat is het verschil tussen deze en die?
Je gebruikt deze en die allebei voor de-woorden en meervoud. Je gebruikt deze voor iets dat dichtbij is, en die voor iets dat verder weg is in tijd of afstand.
Verwijst dat altijd naar een het-woord?
Ja, als verwijswoord verwijst dat altijd naar een enkelvoudig het-woord (bijvoorbeeld: het huis -> dat huis). Het kan soms ook verwijzen naar een hele zin of een situatie.
Krijg ik vragen op het inburgeringsexamen?
Ja, op het leesexamen krijg je heel vaak specifieke vragen zoals: Naar wie of wat verwijst het woord ‘deze’ in regel 4? Het is dus essentieel om dit goed te oefenen.